De Elisabethsvloeden: oorzaken, gevolgen en sterke verhalen

Dit jaar is het 600 jaar geleden dat de Sint-Elisabethsvloed van 1421 de ondergang van de Zuid-Hollandse Grote Waard inluidde. Het was een ramp die veel indruk maakte op de tijdgenoten, al was het echt niet de eerste watersnood in de regio en het zou ook niet de laatste zijn. Direct erna kwam een even grote vloed aan geruchten, overdrijvingen en wonderverhalen op gang, die tot op de dag van vandaag het beeld van die ramp heeft bepaald. Die zijn alle de afgelopen decennia in meer of mindere mate ontkracht: een overzicht.

In de nacht voor Sint Elisabethsdag in het jaar 1421 brak de dijk bij de sluizen van het dorp Broek in de Grote Waard door.[1] Het was niet de eerste keer dat dit gebeurde. Al eerder waren er doorbraken geweest door verzwakking van de dijkvoet, vanwege het te dichtbij naar darink (met zeewater doordrenkt veen) delven om het kostbare zout te winnen. Zo waren delen van de dijk gevaarlijk instabiel geworden. Bovendien waren de uitgebaggerde putten veranderd in brede en diepe stromen die direct aan de westelijke dijken van de waard grensden. Het zeewater kon zo steeds verder het land binnendringen. Het door een hevige storm hoog opgestuwde zoute water stroomde die nacht door het gat en verspreidde zich over de landerijen in noordelijke en oostelijke richting. Het bereikte eerst de dijk langs de Maas en ging daar doorheen, maar op den duur reikte het helemaal tot in het land van Heusden. Bovendien was dit het laagste deel van de Waard, want de eeuwenoude ontginning aldaar was al lange tijd aan het inklinken. Dat het water snel verder kon stromen werd bevorderd door een stelsel van onbedijkte gantels, evenwijdig aan de Maas, waar het geweld van de vloed brede geulen van maakte. De vele smalle stroompjes vanaf de hoger liggende Langstraat en de gegraven turfvaarten konden die massa water ook niet afleiden. De Grote Waard, het gebied tussen Dordrecht en Geertruidenberg tot aan Heusden, was echter niet het enige slachtoffer van deze stormvloed. Ook Zeeuws-Vlaanderen, Zeeland, de Zuid-Hollandse eilanden, het Rijnland tussen Leiden en Haarlem en Waterland en Kennemerland boven het IJ overstroomden gedeeltelijk. Westfriesland kon net voorkomen dat de lange Omringdijk bij Heerhugowaard doorbrak, maar veel buitendijks land ging daar verloren. Kort hierop, vanaf ongeveer half december, braken door hoog oppervlaktewater van de rivieren Rijn, Waal en Merwede op diverse plaatsen dijken door. Omdat er een serie droge zomers was geweest waren kwetsbare, verdrogende en inklinkende veendijken een gemakkelijke prooi. Overstromingen van diverse polders en waarden werden zowel in Duitsland, Gelderland als Zuid-Holland gemeld. Voor de Grote Waard was een doorbraak van de Merwede in de dijk bij de Oude Wiel (een gevolg van een inbraak uit 1374) bij Werkendam fataal. Ook hier waren de ingeklonken landerijen achter de dijken een makkelijke prooi: het water verspreidde zich snel over het hele gebied tussen Merwede en Maas tot aan Dordrecht toe. Die stad kwam als het ware op een eiland te liggen. Wel staken de dijken op de oeverwallen langs de rivieren nog boven het landschap uit. En dat gold natuurlijk ook voor de dorpen, kerken en boerderijen op hun terpen, evenals voor de steenhuizen van de adel of rijke stedelingen. Het zeewater vanuit het zuidwesten ontmoette halverwege de Waard het zoete rivierwater uit het noordoosten. Het richtte onderweg grote schade aan in sloten die uitgediept werden tot killen of die volgestort werden met doorgespoelde aarde, klei en zand.

Werk aan de dijk

De bevolking pakte in 1422 met steun van de graaf, Jan van Beieren, het repareren van dijken en wegmalen van water snel aan. Aan het eind van de zomer waren de gaten weer grotendeels dicht. Die zomer was weer heet en extreem droog, maar een nat najaar volgde. Over het hele westen van Nederland kwamen daardoor weer overstromingen voor en dat werd in de natte zomer van 1423 niet veel beter. 1424 was echter weer erg heet en droogde de natte veendijken uit zodat de dijklichamen bijna sponzen werden. De derde Elisabethsvloed van 18 november 1424 vernietigde uiteindelijk alle reparaties aan de dijken.[2] De Grote Waard, maar die niet alleen, stroomde weer vanuit Broek en de Merwede onder, nu over een breder front. Boeren die al voorzichtig teruggekomen waren, vluchtten weer naar de steden of naar waarden die nog wel droog waren. Tot omstreeks 1430 heeft men nog geprobeerd om gaten te dichten, maar er was te weinig geld en de politieke situatie, met name in het zuiden van Holland, was zo onzeker dat de ingelanden, de bezitters van land in de waard, het bijltje er op den duur bij neergooiden. Ze ‘staken de spade in de dijk’. Langzaam stroomde bij elke vloed het water steeds weer over de landerijen en liet bij eb een laagje zandige klei achter. Het schuurde nieuwe killen uit en verstopte oude weteringen in de voormalige Grote Waard. Toen er weer inpolderingen plaatsvonden was er een laag slib over het land gelegd van tussen de 1 en 2 meter dik, het Merwededek. Het is die laag die archeologen bij opgravingen op het hele Eiland van Dordrecht steeds weer tegenkomen. Het was echter nog steeds geen oneindige watervlakte, zoals wel wordt gedacht en zoals die dikwijls ook op kaarten werd weergegeven. Overal staken stukken dijk met bomen en struiken boven het water uit en groeiden zandige slikken en begroeide gorzen aan. De meestal uit hout, leem en riet opgetrokken boerenbedoeningen vervielen na enige tijd, zodat er niets meer van overbleef dan wat paalsporen. Wel waren nog lang de stenen kerken, plus hun torens, en steenhuizen te zien die leken te drijven in meren. Op den duur werden ze netjes afgebroken en werden de stenen hergebruikt in nieuwe nederzettingen elders. Het landschap was veranderd van graanakkers en groententuinen in een nat getijdengebied waar riet en biezen werden geoogst. Vissers uit de wijde omgeving vingen er in de brede killen zalm in netten aan palen, de zalmsteken. Van de Verdronken Waard werd het de Biesbosch en de grootste killen veranderden in brede stromen, zoals het Hollands Diep, de Nieuwe en de Boven Merwede en aan de Brabantse kant de Amer.

Gods wil ?

Kroniekenschrijvers die meer of minder ver van de gebeurtenissen afzaten beschreven al snel na 1421 de gevolgen. In Lübeck, dat handelscontacten met Dordrecht onderhield, vermeldde iemand de  ramp en de schade aan volk en vee en 16 ‘kerspelen’ (kerkdorpen) die verdronken. In Tiel sprak men dertig jaar later meer in het algemeen over de schade over heel Vlaanderen, Zeeland en Holland in 1421 en schatte dat er in het geheel zo’n 2000 mensen omgekomen waren. Verder weg, in Keulen, had men het omstreeks 1500 al over 100.000 doden. Nog wat later schatte men het aantal verdronken dorpen in de Grote Waard op 72, een op bijbelse voorbeelden gebaseerd getal dat dikwijls met rampen werd geassocieerd. Dat vertelde men aan bezoekers uit het buitenland, die het thuis doorvertelden en opschreven. De zeventiende-eeuwse Dordtse historieschrijvers Van Beverwijck en Balen namen dat aantal eveneens over en hadden het over duizenden slachtoffers in de Waard. Zij verspreidden ook de toen ontstane sages over de ‘nijdige boer’ die een dijk had doorgestoken om zijn buren ‘te bederven’ en het kind in de drijvende wieg die door een kat in evenwicht werd gehouden en op den duur aanspoelde in Kinderdijk. Dat laatste is trouwens een verhaal dat bij meer overstromingen in binnen- en buitenland wordt verteld. In Dordrecht werd het eeuwen later wel geloofd en beweerde een familie zelfs van dat kind af te stammen. Dat de grote aantallen slachtoffers schromelijk overdreven waren is inmiddels wel duidelijk. Berekeningen aan de hand van latere bevolkingsgegevens geven een geschatte totale bevolking van de hele Grote Waard van ongeveer 20.000 mensen. Die hele waard was ongeveer 540 vierkante kilometers groot en er wordt geschat dat circa 70 % in ieder geval tijdelijk en soms voorgoed verloren ging. Dat is een kleine 380 vierkante kilometers. Zoals gezegd ging echter niet alles in één klap teloor. Als er mensen bij de inbraakgaten woonden zullen die misschien verrast zijn geworden en sommigen van hen zullen het niet hebben overleefd. Het zal een paar dagen geduurd hebben voor de vloeden alle delen van de Grote Waard hadden bereikt. Er moesten allerlei hindernissen genomen worden, zoals de oeverwallen en kaden van de kleine veenrivieren tussen de polders. Hoe verder het water opschoof hoe langzamer het ook zal hebben gestroomd, maar bij elke vloed zal er steeds een grote hoeveelheid water de waard in zijn gestroomd.

200 of 2000?

Voor het water in 1421 zijn uiterste grens had bereikt ging er dus de nodige tijd overheen en mensen hadden voldoende mogelijkheden met hun boten te vluchten, op zolder of dak te klimmen of andere hoge plekken op te zoeken. Het linkerpaneel van het Sint-Elisabethsaltaar, dat in ca. 1490 ter herinnering aan de ramp werd geschilderd, laat zien hoe het water zich tussen de hoogten een weg baande. En bij eb zakte het water natuurlijk steeds een meter of wat. Ondanks de herhalingen van wateroverlast in 1422 en 1423 en voor de tweede grote vloed in 1424 was er voldoende gelegenheid om zelfs interieurs uit huizen en kerken, inclusief loeizware doopvonten, te halen en die naar elders te verschepen. Oud-stadsarcheoloog van Dordrecht, Johan Hendriks, zou het bijzonder hebben gevonden als er in de waard veel meer dan 200 mensen door het water waren omgekomen. Dat komt ook beter overeen met de 2000 doden die volgens de Tielse kroniek tijdens de vloed in totaal in de overstroomde gebieden vielen. Ook het getal van 72 verdronken en verdwenen parochies in de waard was zwaar overdreven. Veel latere beschrijvers hebben bovendien geen onderscheid gemaakt tussen (kerk)dorpen, ambachten, parochies en heerlijkheden. Die kunnen overlappen en dorpen of heerlijkheden kunnen uit meerdere ambachten bestaan. Terwijl een heerlijkheid of een parochie een samenraapsel van kerkdorpen, gehuchten (met een naam) en ambachten kan zijn. Het dorp Sliedrecht, dat toen aan de zuidelijke oever van de Merwede lag, bestond bijvoorbeeld uit drie ambachten, terwijl de parochie Sliedrecht van Houweningen tegenover Giessendam tot in de stad Dordrecht reikte. Je moet dus in de lijsten dorpsnamen goed kijken wat bij wat hoorde. Omdat lang niet altijd duidelijk was, en nog steeds niet is, hoe de connectie tussen die verschillende gemeenschappen lag, hebben onderzoekers aantallen van tussen de 19 en 27 verloren en niet meer opgebouwde nederzettingen genoemd op een totaal van ongeveer 55.  Dat komt aardig dichtbij de 16 kerspelen van de Lübeckse kroniekschrijver. Een dorp als Sliedrecht ging dus verloren, al bleven er nog wel wat mensen op de resten dijk langs de Merwede achter. De meeste inwoners verhuisden naar de overkant, waar de gemeente van die naam nu ligt. Daar lag toen Oversliedrecht, dat al vroeg in de dertiende eeuw wordt genoemd. ‘Over’ werd dus van de naam gehaald. Andere dorpelingen volgden dat voorbeeld op andere plaatsen aan de rivieren. De inwoners van Weede stichtten op die manier in de latere Hoeksche Waard het dorp Cillaarshoek, waar ze hun kerk ook weer opbouwden en het verdronken dorp Strijen werd op de plaats waar het nu nog ligt herbouwd. Weer anderen trokken naar de omliggende steden. Dordrecht groeide in de vijftiende eeuw bijvoorbeeld van ca. 8000 naar ca. 11.000 inwoners; een groei die niet alleen door een natuurlijk geboorteoverschot te verklaren valt. Steden hadden overigens altijd aanwas van buiten nodig om wat bevolking betreft op peil te blijven.

Gevolgen nog steeds zichtbaar

Nog weer anderen begonnen wat verder in de vijftiende eeuw al met inpolderen, vooral aan de oostelijke, zuidelijke en westelijke randen van de waard. Het Land van Heusden en de streek ten noorden van de Langstraat, die oorspronkelijk Hollands waren en later Brabants zouden worden, werden toen al aangepakt. De latere Hoeksche Waard groeide polder voor polder tot in de achttiende eeuw. In dit gebied ligt tot nu nog een restje van de midden door de Grote Waard stromende Maas; die rivier is elders volkomen verdwenen. Het gebied ten zuiden en oosten van Dordrecht werd echter pas vanaf ongeveer 1600 aangepakt. Het inpolderen ervan duurde, in fasen, tot in de twintigste eeuw. Zo ontstond langzaam het Eiland van Dordrecht zoals het er nu uitziet. Men kan zeggen dat de Elisabethsvloeden het leven van hen die ze meemaakten grondig ontregelde. Als de bewoners niet verdronken kwam het er meestal op neer dat men de nederzettingen waar soms al 400 jaar werd gewoond moest verlaten. Er moest dan elders een nieuw bestaan opgebouwd worden. We moeten echter niet vergeten dat men in het waterrijke Holland en Zeeland elk jaar wel een paar keer te maken kreeg met zulk hoog water dat stukken land overstroomden. De rivieren voerden (en voeren nog) in de lente grote hoeveelheden smeltwater uit Duitsland aan die voor problemen zorgden. In de herfst waren het de westerstormen waardoor de dijken het nogal eens begaven. Waarna ze dan ook weer gerepareerd moesten worden. Dat was ver voor de Elisabethsvloeden al een onderdeel van het bestaan in de polders tussen de rivieren.  Niet dat men er aan gewend was – het gebeurde niet elk jaar en ook niet overal tegelijk – maar het was een gegeven waarmee men leefde. Soms waren de doorbraken door allerlei oorzaken te erg, zoals in 1421-24, en moest men land en woning opgeven. Toch kwam men steeds terug en begon men het land weer te herwinnen. Zo is het karakteristieke landschap van het westen en noorden van Nederland ontstaan. Een gegeven dat tot op de dag van vandaag toeristen en andere liefhebbers van het rivierengebied trekt, maar waar de bewoners ervan zich maar zelden van hun verleden bewust zijn.

Henk ’t Jong  MA

(1948) Studeerde middeleeuwse geschiedenis aan de Universiteit van Leiden en publiceerde o.a. over nederzettingsgeschiedenis in de Grote Waard, de middeleeuwse geschiedenis van Dordrecht en het graafschap Holland en zijn graven.

Literatuur

J. Buisman, Duizend jaar weer, wind en water in de Lage Landen, deel 1: tot 1300, deel 2: 1300–1450 (Franeker 1995-1996).

H. van Duinen en C. Esseboom, red., Verdronken dorpen boven water. Sint Elisabethsvloed 1421: geschiedenis en archeologie (Dordrecht z.j. [ 2007]).

M.K.E. Gottschalk, Stormvloeden en rivieroverstromingen in Nederland – Storm surges and riverfloods in the Netherlands. 2 delen (Assen 1971-1975).

W. van der Ham, De Grote Waard. Geschiedenis van een Hollands landschap (Rotterdam 2003).

P.A. Henderikx, Land, water en bewoning. Waterstaats- en nederzettingsgeschiedenis in de Zeeuwse en Hollandse delta in de Middeleeuwen (Hilversum 2001).

J. Hendriks, ‘De watersnoodrampen van 1421 en 1424’, in: H.A. van Duinen en C. Esseboom, red., Verdronken dorpen boven water. Sint Elisabethsvloed 1421: geschiedenis en archeologie (Dordrecht z.j.[2007]) 99-129.

J.P.C.A. Hendriks, P. Cleveringa, L. van Beurden, H.J.T. Weerts, T. Meijer, D.G. van Smeerdijk en D.B.S. Paalman, ‘”Dar vordrunken 16 schone kerspele…” Introductie op het moderne interdisciplinaire onderzoek naar de St. Elisabethsvloeden, 1421-1424’, Westerheem 53-3 (2004) 94-111,

H. ‘t Jong, “Het troetelkind der Dordtenaren”. De speciale positie van de Tieselenswaard vóór de ondergang van de Grote Waard in 1421. Masterthesis (Leiden 20091).

H.C. ‘t Jong, ‘Een archiefonderzoek naar vermeldingen van nederzettingen in de Groote Waard van vóór 1421’, in: Dordrecht ondergronds briefrapport 23 (Dordrecht 20092)

J. Kuys, L. de Leeuw, V. Paquay en R. van Schaik, red., De Tielse kroniek. Een geschiedenis van de Lage Landen van de Volksverhuizingen tot het midden van de vijftiende eeuw met een vervolg over de jaren 1522-1566 (Hilversum 1983).

T. Stol, ‘Opkomst en ondergang van de Grote Waard’, Holland 13, 3–4 (1981) 129–145.

W. van Wijk, Historische atlas van de Biesbosch. Zes eeuwen Biesbosch in 78 kaarten (Zwolle 2012).

V. Wikaart, H. van Engen, K. Leenders, C. de Bont, P. Martens, I. Zonneveld en H. Werther, red., ‘Nijet dan water ende wolcken’. De onderzoekscommissie naar de aanwassen in de Verdronken Waard (1521-1523) (Tilburg 2009).

Dordrecht 6.6.2021


[1] 18-19 november volgens de middeleeuwse heiligenkalender, tegenwoordig valt de dag van St. Elisabeth op 17 november. Van der Linden, De Heiligen (2002) 254.

[2] Er was in november 1404 al een eerste Elisabethsvloed geweest die vooral Vlaanderen en Zeeland trof, maar ook rond het IJ en in de Riederwaard overstromingen veroorzaakte.