Brief van een Engelse kolonist in New England aan zijn vader over voorraden

In 1631 schrijft een kolonist vanuit New England (aan de oostkust van Noord-Amerika), aan zijn vader over het arriveren van een schip uit Engeland:

Ik ontving van het schip een rantsoen meel, en de gouverneur vertelde me over honderd kilo kaas, waarvan ik een deel heb ontvangen. Ik dank u er nederig voor. Ik had twee koeien verwacht, die ik nog niet heb, maar ik verlang niet meer dat u mij ze stuurt, omdat het land niet is zoals we het hadden verwacht. Liefhebbende vader, ik zou u willen smeken mij boter en ongemalen mout te sturen. (…) En stuur mij alstublieft vier of vijf meter stof om wat kleding te maken. En liefhebbende vader, ook al ben ik ver van je verwijderd, toch bid ik dat u aan me denkt (…) want we kunnen hier niet leven zonder voorzieningen uit het oude Engeland.

Historische context

Vanaf het begin van de zeventiende eeuw intensiveerden de Engelsen hun koloniale expansie naar de oostkust van Noord-Amerika. Naast handelsposten zoals Jamestown in Virginia (1607), ontstonden in het noordoosten (New England) permanente nederzettingen gesticht door religieuze dissidenten, zoals de Pilgrims in Plymouth (1620) en de Puriteinen in Massachusetts Bay (1630).

Veel kolonisten vertrokken met hoge verwachtingen over de vruchtbaarheid en rijkdom van het nieuwe continent, maar kregen bij aankomst te maken met zware tegenslagen. Het ruwe klimaat, onbekende landbouwomstandigheden, mislukte oogsten en ziektes leidden tot ernstige tekorten en hoge sterftecijfers. Koloniale nederzettingen waren in hun beginjaren volledig afhankelijk van regelmatige bevoorradingsschepen uit het moederland voor basisbehoeften zoals textiel, graan, vee, gereedschap en geconserveerd voedsel. Zonder deze maritieme aanvoerlijnen en handelscontacten met Engeland konden de jonge nederzettingen nauwelijks standhouden.

halve pagina pien kuijpers

Advertentie