10 jaar compensatie na afschaffing slavernij

Nederland schafte onder internationale druk op 1 juli 1863 de slavernij af in de Nederlandse koloniën. De mensen die daar in slavernij leefden waren echter nog niet vrij. Zo moesten de mensen in Suriname nog tien jaar lang verplicht werken voor de Nederlandse staat. In andere delen van het Koninkrijk golden andere afspraken. De plantage-eigenaren in Suriname ontvingen juist f 300 ‘compensatie’ per slaafgemaakte persoon van de Nederlandse staat.       

Josephina, 31 jaar
In dit document lezen we de gegevens van de tot slaaf gemaakte mannen en vrouwen die leefden op de plantage Goosen aan de aan de Mattapiccakreek in Suriname, net vóór de afschaffing van de slavernij.
Het is een lijst met de namen (alleen een voornaam, die de plantage-eigenaar hen gaf), geslacht, leeftijd, beroep en godsdienst. Meer kunnen we vaak ook niet over hen te weten komen.
Bij deze eerste telling van 3 november 1862 waren er 83 tot slaafgemaakte mensen op de plantage Goossen. Josephina van 31 jaar, veldmeid van beroep (zie linkerpagina nummer 40) maakte de afschaffing van slavernij echter niet meer mee, zij overlijdt voor die tijd.
Hier vind je op de rechterpagina een korte verwijzing daarnaar.

Plantage-eigenaar Weidner
Over de plantage-eigenaren, in dit geval Christiaan Willem Weidner, is veel meer terug te vinden. Er is uitgebreid onderzoek naar hem gedaan. Hij woonde in Utrecht in een groot huis aan de Wittevrouwensingel. Weidner had de plantage Goosen in 1853 op een openbare veiling in Suriname gekocht. Hij heeft er ook een tijdje gewoond. Hij ontving in 1863 van de Nederlandse overheid een bedrag van ƒ 24.600,- (vergelijkbaar met € 249.695,- in 2013) als financiële vergoeding voor de 82 tot slaaf gemaakte mensen op zijn plantage.

Financiële administratie
Deze financiële administratie is gedetailleerd vastgelegd in zogenaamde borderellen van de Algemene Rekenkamer die te vinden zijn in het Nationaal Archief. Op deze borderellen noteerden de plantage-eigenaren de gegevens van de tot slaaf gemaakte mensen op de plantage. Deze dienden als bewijs voor de genoemde ‘compensatie’.

Plantage-eigenaren verdienden ten koste van slaafgemaakte mensen

Esther Captain deed in 2013 onderzoek naar Weidner en andere plantage-eigenaren in Utrecht. Haar voorlopige conclusie (er is nog veel meer onderzoek nodig) op basis van de financiële compensaties is dat er ƒ 406.650,- is uitgekeerd aan de Utrechtse plantage-eigenaren, wat omgerekend naar de koopkracht van nu meer dan 4 miljoen euro betekent. Er kwam dus een astronomisch bedrag in omloop in de Utrechtse lokale economie, geld dat werd verdiend over de ruggen van slaafgemaakte mensen. Omdat van een aantal eigenaren het bedrag niet vermeld staat, mag aangenomen worden dat het totaal bedrag nog hoger was. Zie haar artikel in het tijdschrift Oud-Utrecht.

In 2021 werd deze conclusie nog eens bevestigd in het boek slavernij en de stad Utrecht, dat geschreven werd in opdracht van de gemeente Utrecht. Van de bestuurlijke elite in Utrecht had 40 % belangen in het koloniale systeem en de mensenhandel, een zeer groot aandeel volgens de auteurs.
Het boek vind je hier.

Advertentie