In 1767 kondigt Catharina de Grote, de keizerin van Rusland, in een decreet (wet) aan:
En mocht het zo zijn dat zelfs na de publicatie van het huidige decreet van Hare Keizerlijke Majesteit lijfeigenen en boeren hun landheren niet op de juiste manier gehoorzamen en de moed zouden hebben om onwettige petities in te dienen waarin ze klagen over hun landheren (…), dan zullen zowel degenen die de klachten indienen als degenen die de petities opschrijven, worden gestraft met de knoet1 en onmiddellijk naar Nerchinsk2 worden gedeporteerd voor dwangarbeid voor het leven. En ze zullen worden meegeteld als onderdeel van het quotum aan rekruten dat hun landheren aan het leger moeten leveren. En om ervoor te zorgen dat mensen overal van het huidige decreet op de hoogte kunnen zijn, zal het in alle kerken op zondagen en heilige dagen worden voorgelezen gedurende een maand nadat het is ontvangen.
noot 1 Een knoet is een stok of zweep.
noot 2 een Russische stad in Siberië
Historische context
Tijdens haar regeerperiode (1762–1796) profileerde tsarina Catharina II (‘de Grote’) zich nadrukkelijk als een ‘verlicht vorst’. Zij correspondeerde met prominente Franse Verlichtingsfilosofen zoals Voltaire en Denis Diderot en stelde in 1767 de Wetgevende Commissie in met haar beroemde Nakaz (Instructie), waarin zij sprak over rationeel bestuur en juridische hervormingen.
In de praktijk steunde haar autocratische machtspositie echter volledig op de loyaliteit van de Russische adel. In ruil voor hun politieke en militaire steun breidde Catharina de privileges van edellieden fors uit en versterkte zij de greep van landheren op de boerenbevolking. Waar in West-Europa de horigheid geleidelijk verdween, werd de lijfeigenschap in het achttiende-eeuwse Rusland juist verder gejuridificeerd en verhard: lijfeigenen werden feitelijk verhandelbaar bezit zonder eigen rechtsbescherming tegenover hun landheer.
Het decreet van 1767 ontnam lijfeigenen de laatste juridische mogelijkheid om rechtstreeks een beroep te doen op de kroon bij excessief geweld of uitbuiting door adellijke heersers. Deze verscherpte repressie en de toenemende belasting- en rekruteringsdruk leidden tot diepe sociale onrust onder de boeren, wat enkele jaren later culmineerde in de massale en gewelddadige Poegatsjov-opstand (1773–1775).