De in Oost-Duitsland geboren Paul West beschrijft hoe er eind jaren 1970 op school wordt gereageerd op het feit dat zijn familie toestemming krijgt om naar de BRD te verhuizen:
De les zag er toen (…) zo uit dat iedereen werd gevraagd om voor de klas te komen en zijn mening te geven over het feit dat Paul ons binnenkort zou verlaten. (…) En dat ze het nooit voor mogelijk gehouden hadden dat er zo’n verrader in hun klas zat. En zo moest iedereen zijn woordje doen en afstand nemen. En zodra de bel ging voor de pauze, werd ik als een popster omringd door iedereen. Ze wilden me allemaal graag hun adressen geven, zodat ik ze iets kon sturen, zodra ik weg was [uit de DDR]. Iedereen wilde wel een spijkerbroek of iets dergelijks.
Historische context
Na de Tweede Wereldoorlog en het begin van de Koude Oorlog werd Duitsland opgedeeld in de kapitalistische Bondsrepubliek Duitsland (BRD) in het westen en de communistische Duitse Democratische Republiek (DDR) in het oosten. Om de aanhoudende leegloop naar het Westen tegen te gaan, sloot het Oost-Duitse regime in 1961 de grenzen hermetisch af met de bouw van de Berlijnse Muur en de versterking van de Duits-Duitse binnengrens.
Het verlaten van het land was voor burgers van de DDR uitzonderlijk moeilijk. Emigreren naar de BRD vereiste een officiële uitreisvergunning (Ausreiseantrag). Het indienen van zo’n verzoek werd door de communistische overheid (de SED) en staatsveiligheidsdienst (Stasi) beschouwd als een daad van politieke ontrouw en staatsvijandigheid. Gezinnen die een aanvraag indienden, kregen vaak te maken met maatschappelijke uitsluiting, verlies van werk of onderwijskansen, en publieke veroordeling op het werk en op scholen.
Tegelijkertijd illustreert de bron de grote kloof tussen de officiële communistische ideologie en de dagelijkse werkelijkheid van gewone burgers in het Oostblok. Ondanks de staatsanti-westerse propaganda oefende de westerse populaire cultuur en materiële welvaart (zoals merkkleding en westerse muziek) een enorme aantrekkingskracht uit op de Oost-Duitse jeugd, waardoor westerse consumptiegoederen gewilde statussymbolen waren.