Deze gravure van Romeyn de Hooghe is gemaakt ter gelegenheid van de voltooiing en inwijding van de synagoge in 1675. In die tijd was dit het grootste Joodse gebedshuis ter wereld. De bouw van zo’n monumentaal en prestigieus gebouw in het hart van Amsterdam was een krachtig statement van de Sefardische Joden. Zij waren veelal gevlucht voor de inquisitie in Spanje en Portugal en vonden in de Republiek een plek waar zij hun geloof openlijk mochten belijden.
In de zeventiende eeuw had de Nederlandse Republiek de reputatie van reputatie een religieus verdraagzaam land te zijn. Veel joden vluchtten naar Amsterdam om te ontsnappen aan de strenge katholieke inquisitie Spanje en Portugal. Hoewel religieuze tolerantie bovengemiddeld hoog was in de Republiek, werd de joodse bevolking nog steeds veel beperkingen opgelegd. Zo werden zij uitgesloten van gilden en openbare ambten. Binnen de handel vonden zij wel nog mogelijkheden, waardoor zij een groot handelsnetwerk opbouwden.

De prent weerspiegelt de enorme welvaart en de hoge maatschappelijke status van de Joodse burgerij in de Gouden Eeuw. De medaillons aan de zijkanten bevatten de namen van de rijke kooplieden en bankiers die de bouw financierden. De aanwezigheid van een plattegrond en een architectonisch gevelaanzicht op de prent benadrukt dat de synagoge werd gezien als een technisch en esthetisch meesterwerk, vergelijkbaar met de grote publieke gebouwen van de stad zoals het Paleis op de Dam.
Bovenaan de prent is een allegorische voorstelling te zien, wat typerend is voor de kunststijl van de Renaissance en de vroege verlichting: het combineert religieuze trots met een rationele weergave van architectuur. Hoewel Joden nog niet alle politieke rechten hadden die christelijke burgers wel hadden, toont deze bron aan dat zij een integraal en invloedrijk onderdeel waren geworden van de Amsterdamse stedelijke cultuur en de bloeiende wereldeconomie van die tijd.