Tussen 997 en 1001 wordt Engeland elk jaar geteisterd door plunderaars uit Scandinavië. De Engelse koning Ethelred II geeft de opdracht om alle Denen1 die in zijn rijk wonen te doden. In 1004 laat de koning hierover opschrijven:
Het is aan iedereen, die zich in dit land ophoudt, bekend dat een besluit is genomen door mij, in overeenstemming met de raad van mijn leidinggevende mannen en bestuurders, en dat dit is verspreid. Namelijk dat alle Denen die aan dit eiland zijn ontsproten, zoals onkruid in een tarweveld, moesten worden vernietigd door middel van zeer rechtvaardige uitroeiing, en dat dit besluit moest worden uitgevoerd (…). De Denen die in de hiervoor genoemde stad [Oxford] woonden, probeerden aan hun dood te ontsnappen. Zij gingen het heiligdom van Christus2 binnen, nadat ze met geweld de deuren en grendels hadden vernield, en besloten om daar hun toevlucht en verdediging te zoeken tegen de mensen van de stad en de voorsteden. En toen het volk probeerde om de Denen te verdrijven, zette het volk noodgedwongen de planken in brand en verbrandden zij deze kerk met alle ornamenten en boeken. Daarna werd de kerk met de hulp van God, door mij opnieuw opgebouwd.
noot 1 Hiermee bedoelt Ethelred II mensen uit Scandinavië.
noot 2 De Denen vluchten de grootste kerk in Oxford binnen.
Extra context
Vanaf het einde van de tiende eeuw intensiveerden de Vikingaanvallen op Engeland. De Angelsaksische koning Ethelred II (‘de Onberadene’) betaalde herhaaldelijk grote sommen losgeld (Danegeld) om plunderingen af te kopen, maar dit bleek weinig effectief. Uit vrees voor een staatsgreep of verraad door binnenlandse Deense bondgenoten van de invallers gaf Ethelred in 1002 bevel om alle Denen in Engeland op Sint-Brixiusdag (13 november) te vermoorden. Dit leidde op verschillende plaatsen tot grootschalige lynchpartijen. De moordpartij provoceerde vergeldingscampagnes van de Deense koning Sven Gaffelbaard, wat uiteindelijk in de elfde eeuw leidde tot de Deense verovering van Engeland onder Knoet de Grote.