Konraedt Ziebeth zoekt zijn zoon

Konraedt Ziebeth, barbier en chirurgijn in het Hoogduitse leger van Jorrien van Franspurch schrijft aan Zutphen om enig bericht te krijgen van zijn zoon. Na in 1572 in Zutphen te zijn geweest met zijn regiment was hij, ziek en wel, samen met zijn zevenjarig zoontje Johannes, bij een boer ondergebracht. Dat was een klein uur van Zutphen vandaan. Omdat het regiment in haast moest vertrekken heeft hij zijn zoon moeten achterlaten bij de boer. Met zijn vendel heeft hij voortdurend de vijand belegerd en was het hem niet toegestaan om zijn kind op te halen of op te laten halen. Ook weet hij de naam van de boer niet. Hij gaat ervan uit, dat de boer het kind inmiddels naar Zutphen heeft gebracht. Hij vraagt of de heren van Zutphen op een of andere manier in contact zijn geweest met zijn zoon en of ze een antwoord willen schrijven. Zo het kind nog leeft, vraagt Konraedt om het met de bode mee te sturen. Hij wil degenen, die het kind verzorgd hebben, graag vergoeden.

Transcriptie:

Mijnen kleynen goetwillighe getrauwe
dienst altijt mijns vermuegens zufooren
aen [u]wer aller erentfesten, wijse
discreten heeren zu Zutphen, vrinttelijck
geschrijfen, die oorsaecke is deese, also
ick lestleeden Konraedt, feltscherder
onder den oversten regement Hoochduytsche
Jorrien van Franspurch, geweest zij
den jaere twe en tseventich tot Zutphe[n],
aldaer op eender hoove een stondt ofte
een kleyne uwre van Zutphen tot een
boerenhuyse ick cranck gewest be[n]
und soe wij mit onssen regement hebbe[n]
moete[n] optrecke[n] mitter haeste, heb
ick gelaete[n] moete[n] mijn kynte,
wesende een knechtken oldt seven
jaer genaemt Johannes, tot deesen
boerenhuyse. Also mijn hert verlanghe[n]
is grootelixs mijn kynde wedrum te
hebben, ick hadde wel verlangt tot
verleeden tijden om mijn kynde te hebb[en]
dan mijn nyet mueghelijck en is gewes[t],
die oorsaecke dat ick va[n] mijnen
vendel nyet en hebbe gemueghen,
soe wij gestadich voor die vijande[n] hebb[en]
geleghen en dat ick die naeme[n]
van den boer ofte huysman nyet gewete[n]
en hebbe ofte vergheete[n] en ghee[n]
boode en hebben kunne[n] schicke[n[ ten
plaetse va[n] dien noch ter (doorhaling: nu) tijt
nyemant en mach schicke[n]

te[n] waere[n] ten waere dat ick selffs ter plaetse
comen mochte[n], maer ick dencke,
dat die boer het kynde in die steede[n]
Zutphen gebracht heeft en die heern
van der steede[n] het kyndt gepresenteert
ofte ten minste[n] aengheseyt ofte raet
gesocht, soe hoopende, dat die wijse
heere daer kennis va[n] mueghe[n] hebbe[n],
wil ick gants vrinttelijcke[n] bidde[n] e[n]
begheeren soe die wijse heere[n] va[n] dees
mijnen kynde kennis ofte weetenschap
van mueghe[n] hebbe, mijn toch mit
brengher deses bryffs een kleyne[n]
antwoort schrijvende, soe es mochte[n] leeve[n]
mijn mit de[n] boode[n] het kyndt schickende
en diegeene[n] die het kynde gehalde[n]
heeft tot deeser tijt ick wil gern
die coste betaele[n] die verteert sijn,
wilt toch een kleyne[n] bryffken ter
antwort schrijven, dit doende[n] uwer
aller dyener mit weder verschuldinghe
in alles goets mijns vermueghens
mitter haeste der 17 Februarii a[nno] 1575,
neemts voor goet ff[riendlijk] g[eschrijf]
Bij mijn u dyenaer


Konraedt Ziebeth
(…)
Eeren[onleesbaar] en[de] wijse,
discreten heeren,
dese[n] bryve[n] ter
eyghener handt
tot Zutphen

De brief is een goed voorbeeld van hoe bronnen uit die tijd er nu eenmaal uitzien: bruin en onleesbaar vanwege schrift en taal.

De brief heeft flinke waterschade, maar heeft toch de tand des tijds doorstaan dankzij de zorgen van een archiefdienst.

Dankzij vrijwilligers is de bron toegankelijk gemaakt. Zonder hun zorg zou de brief in een anonieme archiefmap terecht zijn gekomen.

Het thema van de brief is universeel; het verlies van een kind gebeurt in elke oorlog en in alle tijden (denk ook aan Oekraïne of Gaza).

Er is een radiofragment over de brief. Te luisteren via deze link.

Advertentie