In 1922 verschijnen de memoires van de voormalige keizer Wilhelm II. Hierin schrijft hij over de situatie van Duitsland aan het einde van de oorlog en vlak daarna:
Dertig jaar was het leger mijn trots. Ik heb voor het leger geleefd en gewerkt. En nu, na vierenhalf schitterende oorlogsjaren met ongekende overwinningen moest het bezwijken onder de dolkstoot van de revolutionairen, en dat op het moment dat de vrede dichtbij was! (…) Op deze jaren van zware beproeving zal de bevrijding volgen van een juk dat men een groot, sterk en eerlijk volk onrechtmatig heeft opgedrongen. Dan zal iedereen weer blij en trots zijn dat hij een Duitser is. (…) Ik geloof in de vernietiging van het verkeerde vonnis van Versailles, omdat verstandige mensen in het buitenland en in Duitsland zelf tot inzicht komen. Ik geloof in het Duitse volk en in de voortzetting van zijn vredelievende taak in de wereld die werd onderbroken door een vreselijke oorlog die Duitsland niet heeft gewild en waar het zich dus ook niet schuldig aan heeft gemaakt.
Uit: Gedenkschriften van keizer Wilhelm, Feiten en personen 1878-1918, Amsterdam, 1922, pag. 241-285
Historische context
In november 1918 kwam er een einde aan de Eerste Wereldoorlog. Na de mislukte Duitse lenteoffensieven en het instorten van het westfront dwong de militaire legerleiding (onder leiding van Paul von Hindenburg en Erich Ludendorff) de burgerregering tot het aanvragen van een wapenstilstand. Toen matrozen in Kiel in opstand kwamen en de Novemberrevolutie uitbrak, trad keizer Wilhelm II op 9 november 1918 af en vluchtte hij naar het neutrale Nederland, waar hij tot zijn dood in Huis Doorn verbleef.
In juni 1919 ondertekende de nieuwe democratische regering van de Weimarrepubliek onder zware geallieerde druk het Verdrag van Versailles. Artikel 231 van dit verdrag legde de exclusieve schuld voor het uitbreken van de oorlog bij Duitsland en zijn bondgenoten (de Kriegsschuldfrage). Dit diende als juridische basis voor zware herstelbetalingen, gebiedsverlies en draconische ontwapeningseisen.
In conservatieve, monarchistische en nationalistische kringen stuitte dit op diepe verontwaardiging. Om hun eigen militaire falen te verhullen, verspreidden de legerleiding en rechtse partijen de dolkstootlegende (Dolchstoßlegende): het Duitse leger zou op het slagveld ongeslagen zijn gebleven, maar ‘van achteren zijn neergestoken’ door stakende arbeiders, socialisten, democraten en revolutionairen aan het thuisfront. De memoires van Wilhelm II uit 1922 vormen een directe uiting van deze mythe en van het categorisch afwijzen van de Duitse oorlogsschuld. Deze revanchistische gevoelens ondermijnden de legitimiteit van de prille Weimarrepubliek en boden later een vruchtbare voedingsbodem voor het nationaalsocialisme.