De Jun’yō Maru was een Japanse vracht- en transportschip dat op 16 september 1944 vanuit het havengebied van Batavia (Tanjung Priok) vertrok met een beangstigend hoge lading: ongeveer 2.200 geallieerde krijgsgevangenen—voornamelijk Nederlanders, naast Britten, Australiërs, Amerikanen en enkele Indonesiërs—en ongeveer 4.200 Javaanse dwangarbeiders, ook wel romushas genoemd. Deze combinatie van krijgsgevangenen en dwangarbeiders maakte het schip tot een van de beruchtste hell ships van de oorlog, gekenmerkt door extreme overbevolking, gebrek aan voedsel, drinkwater, sanitaire voorzieningen en medische zorg.

Locatie van de ramp. Bron: Bert Heesen, TracesOfWar.
In de loop van 18 september 1944 werd de Jun’yō Maru ten westen van Sumatra, ter hoogte van Benkoelen, aangevallen door de Britse onderzeeër HMS Tradewind. Zonder te weten dat het schip gevangenen vervoerde, vuurde de onderzeeër vier torpedo’s af, waarvan er twee insloegen: één ter hoogte van de boeg en één bij de achtersteven. Binnen twintig minuten zonk het schip. Tijdens de chaos van het zinkende en hellende schip raakten veel gevangenen vast in de benauwde scheepsruimtes en velen hapten naar adem in het water.
Van de ongeveer 6.500 mensen aan boord overleefden slechts circa 680. Van hen waren ruim 600 geallieerde krijgsgevangenen; de rest waren romushas. Ruim 5.600 mensen kwamen om — de meesten romushas, maar ook honderden krijgsgevangenen. Slechts enkele tientallen Britse, Australische, Amerikaanse en Nederlandse krijgsgevangenen bereikten uiteindelijk de kust van Sumatra.
Nadat de torpedo’s insloegen, voerden Japanse escortevaartuigen reddingsoperaties uit. In sommige gevallen werden krijgsgevangenen die zich in het water bevonden uit het water gehaald, maar er zijn ook meldingen dat reddingsboten machinegeweervuur op drenkelingen openden om luchtruiming te voorkomen. De overlevenden werden opgevangen en naar krijgsgevangenenkampen in Pekanbaru gebracht, waar velen vervolgens moesten werken aan de beruchte Pekanbaru-spoorlijn. Het merendeel van de overlevenden stierf later alsnog door ziekte, ondervoeding of misbruik in de kampen. Uiteindelijk overleefde slechts een fractie van de oorspronkelijke passagiers de oorlog.
Na de oorlog is de ramp lange tijd nauwelijks herdacht. Pas decennia later begonnen officiële herdenkingen plaats te vinden. In 2000 legden Nederlandse, Belgische en Indonesische marines schepen kransen neer op de plek waar de Jun’yō Maru zonk. Monumenten en registers herdenken inmiddels de slachtoffers, waaronder ruim 1.300 Nederlanders.
Historici beschouwen de ramp met de Jun’yō Maru als één van de meest desastreuze maritieme tragedies van de Tweede Wereldoorlog. Het incident illustreert hoe gevangenen transporteren zonder identificatie op zee en het ontbreken van humanitaire voorzieningen tot humanitaire catastrofes kunnen leiden, ondanks kennis van inlichtingendiensten. Nieuw vrijgegeven documenten tonen aan dat de geallieerde marine bewust de aanwezigheid van hell ships en hun routes kende, maar dat deze informatie niet gedeeld werd om de doorgebroken code geheim te houden — waardoor ernstige ethische dilemma’s ontstonden met dodelijke gevolgen.
Kijk op de site van Traces of War voor veel meer informatie en bijbehorende foto´s over de ondergang van de Junyo Maru. Je komt er via de link naar de originele bron.