Op 1 juli 1927 wordt in Bandung, een stad in de kolonie Nederlands-Indië, De vakschool voor meisjes van het Indo-Europese Verbond geopend. De krant Het nieuws van den dag voor Nederlandsch-Indië schrijft hierover:
Deze school stelt zich ten doel om aan jonge meisjes een algemeen praktische opleiding te geven en haar te bekwamen in verschillende vakken van vrouwelijk handenarbeid, waardoor zij in staat zullen zijn om (…) in eigen levensonderhoud te voorzien en tevens gevormd worden tot handige en bekwame huisvrouwen. Het leerprogramma omvat:
– Huishoudkunde, koken en wasbehandeling.
– Het linnen-, kostuum- en hoedenvak.
Opleiding voor het Staatsexamen in nuttige en fraaie handwerken en voor het examen ter verkrijging van het Nederlands-Indische Bondsgetuigschrift voor kostuumnaaister.
Uit: Het nieuws van den dag voor Nederlandsch-Indië, 11-06-1927
Extra context
In de late koloniale periode (het interbellum) kende Nederlands-Indië een complexe, raciaal gestratificeerde samenleving. De Indo-Europese gemeenschap (Indische Nederlanders) bevond zich juridisch gezien vaak in de categorie ‘Europeanen’, maar nam maatschappelijk en economisch een kwetsbare tussenpositie in. Zij ondervonden toenemende concurrentie op de arbeidsmarkt van zowel goed opgeleide ’totoks’ (volbloed Nederlanders) als de opkomende, geschoolde inheemse elite die profiteerde van de Ethische Politiek.
Om de sociaaleconomische en politieke positie van deze groep te versterken, werd in 1919 het Indo-Europees Verbond (IEV) opgericht onder leiding van Karel Zaalberg. Het IEV richtte zich sterk op onderwijs en vakopleidingen om verarming onder Indo-Europeanen (“pauperisme”) tegen te gaan. Deze meisjesschool in Bandung weerspiegelt die strategie: door praktische scholing kregen vrouwen een vangnet om economisch zelfstandig te blijven, terwijl het programma tegelijk aansloot bij de heersende genderopvattingen over de rol van de vrouw in het gezin.