Na jaren van belegeringen en plunderingen, ontvluchtten veel mensen de stad. Om de stad niet ten onder te laten gaan, vaardigde koning Philips II in 1585 een pardon uit aan de burgers van Zutphen. Ze werden onder andere beschuldigd van ketterij, weerspannigheid, beeldenstorm en opruiing van andere steden tegen hun ”natuurlijke heer en prins”. Maar de koning en zijn neef, de hertog van Parma en Piacenza, gebruikten hun ”barmhartigheid en mildheid” en verleenden met dit charter een algemeen pardon aan degenen die zich schuldig hadden gemaakt aan deze criminele activiteiten. Helemaal ”algemeen” was het pardon echter niet: er wordt een hele lijst van namen genoemd van mensen voor wie dit pardon niet gold! Het zegel is met gouddraad aan het charter bevestigd. Op het zegel staat de koning zelf afgebeeld, zittend op een troon.


Via de link naar de bron kom je ook bij de transcriptie van de bron.