In 1788 schrijft Olympe de Gouges in een pamflet over slaafgemaakten:
Almachtige God! En de natuur huivert niet! Als ze1 dieren zijn, zijn wij dan niet net zo? Hoe verschillen witte mensen van hen? Het is slechts kleur. (…) De kleur van de mensheid is gevarieerd, net als alle dieren die de natuur heeft voortgebracht, evenals de planten en mineralen. Waarom concurreert de dag niet met de nacht of de zon niet met de maan en de sterren van het firmament? Alles is gevarieerd, dat is de schoonheid van de natuur.
noot 1 Olympe de Gouges bedoelt zwarte slaafgemaakten.
Extra Context
Aan het einde van de achttiende eeuw ontstond in Europa, onder invloed van de Verlichting, toenemende kritiek op de trans-Atlantische slavenhandel en de slavernij op plantages in de koloniën. Verlichte denkers stelden dat alle mensen van nature vrij en gelijk zijn (natuurrecht) en bekritiseerden de wreedheden van de slavernij. In Frankrijk leidde dit in 1788 tot de oprichting van de Société des Amis des Noirs (Genootschap van Vrienden van de Zwarten), een abolitionistische beweging die pleitte voor de geleidelijke afschaffing van de slavernij.
Olympe de Gouges sloot zich bij dit verlichte debat aan. Naast haar inzet voor vrouwenrechten (later vastgelegd in haar Déclaration des droits de la femme et de la citoyenne uit 1791) streed zij fel tegen de slavernij in de Franse koloniën, zoals Saint-Domingue (Haïti). Haar toneelstukken en pamfletten riepen veel weerstand op bij de gevestigde Franse elite en koloniale handelaren, die grote financiële belangen hadden bij de suiker- en koffieplantages. Haar argumentatie legde de hypocrisie bloot van verlichte idealen die in theorie universeel waren, maar in de praktijk niet werden toegepast op niet-witte en niet-mannelijke groepen.