Rotterdam is van oudsher een migratiestad, mede door de functie van de haven als ‘poort naar de wereld’. Tot de Eerste Wereldoorlog was het toezicht op vreemdelingen in Nederland relatief soepel. De komst van grote groepen vluchtelingen en de politieke instabiliteit na 1918 leidden echter tot striktere wetgeving, zoals de Wet op het toezicht op vreemdelingen (1918). Vanaf dat moment begon de Rotterdamse politie met een systematische registratie via identiteitskaarten, die in 1922 werden vervangen door de uitgebreidere vreemdelingenkaarten.
Deze bronnen zijn uniek omdat ze niet alleen biografische data bevatten (naam, geboortedatum, beroep), maar vaak ook een pasfoto van de migrant. Dit geeft de vaak anonieme migrantenstromen letterlijk een gezicht. De kaarten laten de diversiteit van de Rotterdamse bevolking zien: van zeelieden en landverhuizers op doorreis naar Amerika, tot Joodse vluchtelingen uit nazi-Duitsland en stateloze burgers. Veel Nederlanders verloren namelijk hun nationaliteit door keuzes tijdens de Tweede Wereldoorlog (zoals dienstname in vreemde krijgsdienst), waardoor zij als ‘vreemdeling’ in hun eigen stad geregistreerd werden. De kaarten weerspiegelen de bureaucratisering van de Nederlandse samenleving en de groeiende behoefte van de overheid om grip te krijgen op mobiliteit en identiteit in een tijd van economische crisis en oorlogsdreiging.