Shah Alam overhandigt het verdrag van de Diwani aan Robert Clive

In 1818 maakt Benjamin West dit schilderij van de ondertekening van het Verdrag van Allahabad in 1765. Het schilderij wordt tentoongesteld in Londen:

Toelichting:
Op de verhoging zit Mogolvorst Shah Alam II.
Links van de vorst staat Robert Clive namens de East India Company.

Beschrijving van de bron

Een olieverfschilderij van de neoclassicistische schilder Benjamin West. Centraal op een verhoogd platform onder een baldakijn zit de jonge Mogolkeizer Shah Alam II. Hij overhandigt een opgerold perkamenten document (de Diwani) aan Lord Robert Clive, de vertegenwoordiger van de Britse Oost-Indische Compagnie (EIC). Clive staat links in een rood Brits officiersuniform met een roze sjerp, vergezeld door andere Britse militairen en functionarissen. Rondom de troon bevinden zich hovelingen, wachters in Indiase klederdracht en op de achtergrond zijn ceremoniële olifanten, Britse vlaggen en koepels van een paleiscomplex zichtbaar.

Kritische noot over de bron: Het tafereel is sterk geïdealiseerd en geënsceneerd volgens westerse neoclassicistische conventies. De overhandiging vond in werkelijkheid plaats in een sobere veldtent kort na een zware militaire nederlaag van de keizer, en niet in een prachtvol, sereen hof zoals hier circa dertig jaar na dato door een schilder in Londen is verbeeld.

Historische context

In de achttiende eeuw raakte het Indiase Mogolrijk ernstig verzwakt door interne machtsstrijd en invallen van buitenaf. De Britse Oost-Indische Compagnie (East India Company, EIC), opgericht als handelsonderneming, begon haar militaire en politieke invloed op het subcontinent gestaag uit te breiden om handelsbelangen te beschermen tegen lokale heersers en rivaliserende Europese machten (vooral Frankrijk).

Na de Britse overwinning in de Slag bij Buxar (1764) zag keizer Shah Alam II zich gedwongen het Verdrag van Allahabad (1765) te ondertekenen. Met dit verdrag verkreeg de EIC het recht van Diwani: het exclusieve recht om namens de keizer belasting te innen en de rechtspraak te voeren in de rijke en dichtbevolkte provincies Bengalen, Bihar en Orissa. Dit markeerde een fundamenteel kantelpunt: een particuliere handelscompagnie veranderde feitelijk in de soevereine, territoriale heerser over miljoenen Indiërs, wat de basis legde voor de latere formele Britse koloniale overheersing van India (British Raj).

Advertentie