Op 18 juli 1898 opende in ’s-Hertogenbosch een sigarenfabriek. Dat was goed nieuws, omdat in de fabriek veel Bosschenaren konden werken. In de negentiende eeuw werden in heel Nederland grote fabrieken gebouwd, maar ‘s-Hertogenbosch was de hele eeuw achtergebleven. Nu konden ook veel Bosschenaren een baan krijgen in een fabriek, hoewel daar werken ook verschillende nadelen had.
Het roken van een sigaar werd in de negentiende eeuw steeds populairder. Een groeiende groep Nederlanders zag hier een kans: met het maken van sigaren viel goed geld te verdienen. Tegelijkertijd vond in de negentiende eeuw de industrialisatie plaats. Nederland kreeg steeds meer fabrieken waar heel veel mensen min of meer hetzelfde werk deden. Dat was goedkoper en makkelijker. Ook hadden veel fabrieken stoommachines waardoor er nog sneller meer werk verzet kon worden.

De fabriekshal van sigarenfabriek Goulmy & Baar, 1860-1899.
Het leven van sigarenmakers was zwaar. In de zomer was het regelmatig bloedheet in de fabriekshallen en in de winter ijskoud. De arbeiders werkten soms wel twaalf uur per dag. Het lange stilzitten en het herhalen van dezelfde handeling zorgden bovendien voor lichamelijke klachten. Ook het inademen van tabaksstof was een probleem. Vaak zat naast de geoefende sigarenmaker een van zijn kinderen, dat bosjes tabak maakte voor de sigaren. Vanaf 1874 was die kinderarbeid voor kinderen tot twaalf jaar verboden in Nederland, maar als ze dertien werden moesten veel alsnog aan het werk.
De Bosschenaar Eugène Goulmy en zijn Duitse vriend Rudolph Baar hadden eind negentiende eeuw een sigarenfabriek in Amsterdam op het Rokin, maar wilden ook een fabriek opzetten in ‘s-Hertogenbosch. Hier gingen vierhonderd mensen aan de slag. Nog geen tien jaar na de opening was de Bossche fabriek uitgegroeid tot de grootste sigarenproducent van Nederland.