In mei 1789 pleit de Britse politicus William Wilberforce tijdens een debat in het parlement voor de afschaffing van de slavenhandel. Een fragment uit zijn toespraak:
Zelfs als het aantal negers1 [door de afschaffing van de slavenhandel] tekortschiet, zijn er toch nog veel andere middelen te krijgen (…) – de introductie van de ploeg en andere machines – de arbeidsdeling die in de vrije en beschaafde wereld zo veel welvaart gebracht heeft – het verminderen van het aantal negers als bedienden, van wie er nu niet minder dan twintig tot veertig in zelfs gewone families werkzaam zijn. Al deze zaken noem ik hier alleen maar om aan te tonen dat West-Indië (het Caribische gebied) niet beroofd is van alle middelen om de landgoederen te bewerken, zoals sommigen vreesden.
noot 1 Met deze term worden in die tijd mensen van Afrikaanse afkomst bedoeld.
Historische context
In de achttiende eeuw vormde de trans-Atlantische slavenhandel en de daarmee verbonden driehoekshandel een fundament onder het Britse koloniale rijk en de wereldeconomie. Miljoenen tot slaaf gemaakte Afrikanen werden onder erbarmelijke omstandigheden verscheept om op suiker-, koffie- en tabaksplantages in Amerika en het Caribisch gebied te werken.
Vanaf het einde van de achttiende eeuw ontstond in Groot-Brittannië de abolitionistische beweging, gedreven door Verlichtingsidealen (zoals universele mensenrechten en individuele vrijheid) en christelijk-evangelische principes van menselijke waardigheid. In 1787 richtten activisten zoals Thomas Clarkson en Granville Sharp de Society for Effecting the Abolition of the Slave Trade op. William Wilberforce trad op als hun belangrijkste parlementaire woordvoerder.
Op 12 mei 1789 hield Wilberforce een beroemd geworden toespraak van meer dan drie uur in het Britse Lagerhuis, waarin hij twaalf resoluties tegen de slavenhandel introduceerde. Omdat tegenstanders — met name de invloedrijke West-Indische plantagelobby in het parlement — stelden dat een handelsverbod tot een direct economisch failliet van de koloniën zou leiden, koos Wilberforce voor een pragmatische strategie. Naast morele en humanitaire bezwaren gebruikte hij economische argumenten: hij betoogde dat het beëindigen van de aanvoer van nieuwe tot slaaf gemaakten plantagehouders zou dwingen tot rationalisatie, mechanisatie en een minder moordende behandeling van hun bestaande arbeidskrachten. Pas in 1807 leidde deze strijd tot de aanname van de Slave Trade Act (het verbod op Britse slavenhandel) en in 1833 tot de formele afschaffing van de slavernij in de meeste Britse koloniën (Slavery Abolition Act).