Tweede distributiestamkaart

In 1944 was de schaarste in bezet Nederland tot een dieptepunt gedaald. Om de resterende voorraden voedsel en brandstof te beheersen, was het distributiesysteem van vitaal belang. De ‘Tweede Stamkaart’ werd begin 1944 ingevoerd door de Duitse bezetting om fraude en hulp aan onderduikers tegen te gaan.

Deze specifieke kaart was onmisbaar: zonder stamkaart kreeg men geen distributiebonnen, en zonder bonnen kon men geen voedsel kopen. Voor de nazi’s was de invoering van deze nieuwe kaart een controlemiddel. Iedereen moest de kaart persoonlijk ophalen, waarbij de gegevens werden gecontroleerd aan het bevolkingsregister. Dit maakte het voor mensen in de onderduik, zoals de familie Frank, levensgevaarlijk of onmogelijk om legaal aan voedsel te komen. Het verzet pleegde daarom regelmatig overvallen op distributiekantoren om blanco stamkaarten te bemachtigen voor onderduikers.

Als de secretaresse van Opekta, het bedrijf dat was gevestigd in het voorhuis van Prinsengracht 263, was Miep Gies-Santrouschitz, bijgestaan door haar echtgenoot Jan Gies, actief als helper aan de onderduikers in het Achterhuis van Prinsengracht 263. Miep Gies deed onder meer de boodschappen voor de onderduikers, en Jan Gies regelde de voedselbonnen waarmee Miep Gies bij een vast netwerk van winkels levensmiddelen kocht. Na de inval van de SD in het Achterhuis op 4 augustus 1944 heeft Miep Gies een aantal van deze bonnen, en een aantal andere objecten die afkomstig zijn van de onderduikers weten te bewaren. Dit voorbeeld is een van de objecten die rechtstreeks herinnert aan de periode van de onderduik en de rol die Miep en Jan Gies daarin hadden.

De kaart illustreert de totale controle van het totalitarisme op het dagelijks overleven. In de loop van 1944, uitlopend in de Hongerwinter, werd de waarde van de bonnen die bij deze kaart hoorden steeds kleiner, omdat er simpelweg bijna geen voorraad meer was om te distribueren.

Advertentie