Op 20 januari 1887 wordt Mattheus Everaerts, 34 jaar, voormalig fabrieksarbeider te Maastricht, ondervraagd door een parlementaire onderzoekscommissie. Het gesprek wordt gevoerd tussen de voorzitter van de commissie (V.) en Everaerts (A.):
V. Wat zag je dan?
A. Dan zag ik hoe de mensen, als zij uit die gloeiende ovens kwamen, ellendig gingen zitten. Ik dacht: hoe kan God dat toelaten. Ik zou zo niet willen werken en ging liever voor tien jaar naar de Oost1. Men kon de mensen niet herkennen van het zweet. Het was niet om aan te zien. De cassettes2 waren zo heet en gloeiend dat ze niet in de hand waren te houden. Waarom konden die niet een dag blijven staan tot ze bekoeld zijn? (…)
V. Heb jij dus het uithalen van de ovens wel gezien?
A. Ja, vroeger en later. En het was niet om aan te zien zoals de mensen het zweet afliep.
V. Dat een mens zweet en zich moe maakt, dat gebeurt meer. Maar was dit zo erg dat toen jij als jongen van twaalf jaren dit zag, jij begreep dat dit zo erg was?
A. Ja.
noot 1 Everaerts bedoelt werken in de kolonie Nederlands-Indië.
noot 2 een vuurvast ovengereedschap dat het aardewerk moet beschermen in de oven
Uit: Jacques Giele (red), De arbeidsenquête van 1887, Een kwaad leven, Deel 2: Sneek, 1981, pag. 136
Historische context
In de tweede helft van de negentiende eeuw kwam de industrialisatie in Nederland op gang. Met name in steden zoals Maastricht ontwikkelde zich grootschalige zware industrie, waaronder de glas- en aardewerkfabrieken van Petrus Regout. De arbeidsomstandigheden waren zwaar: lange werkdagen tot wel veertien uur, lage lonen, gevaarlijke en ongezonde werkomgevingen (zoals extreme hitte en giftige stoffen), en het wijdverbreide gebruik van kinder- en vrouwenarbeid.
Hoewel in 1874 het Kinderwetje van Van Houten werd aangenomen (het verbod op fabrieksarbeid voor kinderen onder de twaalf jaar), ontbrak het aan effectieve arbeidsinspectie en handhaving. Dit leidde tot maatschappelijke en politieke verontwaardiging over de aanhoudende misstanden: de zogeheten sociale kwestie. In 1886 stelde de Tweede Kamer een parlementaire enquête in naar de toestand in fabrieken en werkplaatsen.
De verhoren van arbeiders, fabrikanten, artsen en onderwijzers legden structurele uitbuiting en het falen van de eerdere wetgeving bloot. De schokkende getuigenissen – zoals die van Mattheus Everaerts – schudden de publieke opinie en de politiek wakker. Dit leidde direct tot de invoering van de Arbeidswet van 1889 (die nachtarbeid voor vrouwen en jongeren verbood en een officiële arbeidsinspectie instelde) en vormde het begin van de moderne sociale wetgeving in Nederland.