België was in de 19e en vroege 20e eeuw een belangrijk doorvoerland en een bestemming voor migranten, vluchtelingen en politieke bannelingen (zoals Victor Hugo of Karl Marx). Om toezicht te houden op deze ‘vreemdelingen’ werd in 1839 de Openbare Veiligheid belast met de aanleg van individuele dossiers. Het project AGATHA ontsluit de indexen van deze dossiers, die een ongekende goudmijn vormen voor de Europese migratiegeschiedenis.
In deze dossiers zie je de evolutie van de Belgische staat: van een relatief open beleid in de 19e eeuw naar een steeds repressiever systeem tijdens de economische crisis van de jaren ’30 en de wereldoorlogen. De dossiers bevatten niet alleen administratieve gegevens, maar ook verslagen van agenten die migranten schaduwden, brieven waarin werkgevers garant stonden voor hun personeel, en persoonlijke smeekbeden van migranten om niet te worden uitgewezen. De bronnen tonen de spanning tussen de behoefte aan arbeidsmigratie (bijvoorbeeld voor de mijnbouw) en de angst voor politiek activisme (zoals het socialisme of anarchisme).