In 968 schrijft de Duitse monnik Widukind in zijn Geschiedenis van de Saksen over de bekering van de Deense koning Harald Blauwtand tot het christendom:
Tijdens een feestmaal waarbij de koning aanwezig was ontstond er een discussie over de verering van goden. De Denen beweerden dat Christus weliswaar een god was, maar dat er machtigere goden waren, wat ze door tekens en wonderen aan gewone stervelingen lieten blijken. Een geestelijke genaamd Poppo vertelde echter dat er slechts één ware god bestond:
God de Vader, met zijn enige zoon Jezus Christus en de Heilige Geest. De godenbeelden waren volgens hem boze geesten, en geen goden. Koning Harald vroeg hem of hij bereid was zijn geloof te bewijzen. Zonder een moment te aarzelen zei Poppo dat hij daartoe bereid was. De koning gaf opdracht de geestelijke tot de volgende dag te bewaken.
’s Ochtends beval hij [Harald] dat een enorm zwaar stuk ijzer in het vuur moest worden verhit. Hij gaf Poppo opdracht het gloeiende ijzer voor het ware geloof te dragen. De belijder van Christus greep zonder enige aarzeling het ijzer en droeg het zolang de koning het wilde. Hij toonde aan iedereen zijn ongeschonden hand. Hierdoor overtuigd gaf de koning het bevel dat alleen Christus als god mocht worden vereerd. Hij beval zijn onderdanen de afgoden op te geven. Van toen af betoonde hij de priesters en dienaren van God de eerbied die hun toekwam.