Sinds 1568 zijn de Noordelijke en de Zuidelijke Nederlanden met elkaar in oorlog. Het overschrijden van de grens, voor welk doel dan ook, is niet toegestaan zonder uitdrukkelijke toestemming van de hoogste macht.
Filips II overlijdt in 1598 en wordt opgevolgd door zijn zoon, Filips III. Er ontstaat ruimte voor vredesonderhandelingen.
In 1609 reist een gezelschap, onder leiding van Willem Lodewijk van Nassau en waar ook Johan van Oldenbarnevelt, de landsadvocaat van de Republiek, deel van uitmaakt, naar Antwerpen om daar de onderhandelingen af te ronden en de laatste hand te leggen aan een tijdelijk vredesverdrag met Spanje. Aangezien Antwerpen in de Spaanse Nederlanden ligt en daarmee feitelijk in vijandelijk gebied, heeft de delegatie een paspoort nodig om de grens tussen de noordelijke en zuidelijke Nederlanden veilig over te steken. Het paspoort is opgesteld in het Frans en op 22 maart 1609 ondertekend door de aartshertog Albert en zijn vrouw Isabella (de dochter van Filips II), de landvoogden namens de Spaanse koning in de zuidelijke Nederlanden.

Het document is geldig voor alle onderhandelaren namens de Republiek en hun gevolg. Het paspoort zorgt ervoor dat dit gezelschap niet alleen veilig in Antwerpen aankomt, maar na het definitief sluiten van het Twaalfjarig Bestand ook weer veilig kan terugkeren.